Het gaat om de combinatie van analyse en creativiteit

In gesprek met Patrick van der Duin, sinds 2016 directeur van de Stichting Toekomstbeeld der Techniek.

WAAROM technologie belangrijk voor de economie

Halverwege de jaren zestig ging een delegatie van technisch-wetenschappelijke attachés (tegenwoordig innovatie-attachés) naar de Verenigde Staten toe. Zij zagen daar instituten opkomen waar onderzoek werd gedaan naar de toekomst, zoals het Institute for the Future (IFTF). De afgezanten vonden dat dat in Nederland ook moest komen, want zij zagen dat technologie belangrijk was voor de economie. Dat idee landde bij het KIVI, de beroepsvereniging van ingenieurs in Nederland, waarna de Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT) in 1968 werd opgericht.

Directeur Patrick van der Duin: ‘De doelstelling was het maken van technologieverkenningen. De laatste decennia is dat verbreed naar technologie en maatschappij omdat dat twee domeinen zijn die steeds meer met elkaar verweven raken. De maatschappelijke context is belangrijker geworden. Wij zijn positief kritisch over technologie. In potentie is technologie een positieve kracht in de maatschappij.’

‘In potentie is technologie een positieve kracht in de maatschappij.’

WIE leren van iedere toekomstverkenning

In het begin werden bij STT veelal ingenieurs aangenomen. Het STT was toen een projectorganisatie, medewerkers werden voor vier jaar aangesteld. De laatste tijd zijn er veel meer alfa’s en gamma’s actief voor de STT. Onderzoekers worden voor anderhalf jaar aangesteld om een studie te doen. Daarna kunnen ze blijven voor het doen van andere verkenningen. Tenslotte leren de projectleiders van ieder project dat ze doen. De stichting bestaat nu uit zeven mensen, een directeur, drie projectleiders, twee projectondersteuners en een officemanager.

De afgelopen vijftig jaar groeide het STT uit tot een club met meer dan zeventig leden. De begroting bedraagt jaarlijks 700.000 euro. De helft van het budget wordt gefinancierd door het ministerie van Onderwijs (OCW) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De andere helft wordt ingebracht door de aangesloten leden. De leden zijn organisaties op het gebied van technologie (Shell, Philips, Siemens), infrastructuur (zoals Alliander, Eneco, Essent, Schiphol, NS en Havenbedrijf Rotterdam), kennis- en onderwijsinstellingen (zoals Universiteit Twente, Wageningen Universiteit, Fontys Hogescholen), ministeries (VWS) en stichtingen (onder meer ANBO).

Sommige partijen zijn al tientallen jaren lid van het STT. Alle informatie van de STT is openbaar en te downloaden. De leden kunnen deelnemen aan het netwerk en aan bijeenkomsten, als klankbord meedoen aan projecten en ze kunnen een collega afvaardigen naar Young STT, het netwerk voor jonge professionals van STT. Veel organisaties zijn ook graag sponsor van de STT bij wijze van maatschappelijke ondersteuning.

HOE informeren, inspireren, agenderen en adviseren

Van der Duin: ‘STT maakt toekomstverkenningen. We houden ons bezig met trendonderzoek, roadmaps, scenario’s, Delphi-onderzoeken, expertinterviews, horizonscans, soms heel conceptueel. De STT levert geen businesscases op. We willen mensen informeren, inspireren, agenderen en adviseren. De publicaties die we maken zijn niet op maat gemaakt. Maar tijdens workshops gaan we wel in op specifieke situaties.’

‘De STT levert geen businesscases op.’

Hoe bepalen jullie de onderwerpen waarmee jullie aan de slag gaan?‘Dat wordt in samenspraak met de leden bepaald. We maken een long list die wordt doorgenomen met het bestuur en daarna wordt er gestemd. Er worden steeds drie toekomstverkenningen tegelijkertijd uitgevoerd. Op dit moment zijn dat de toekomst van veiligheid, economie en kunstmatige intelligentie. Daarnaast voeren we kleine projecten uit, zoals de technologiemonitor die wordt ontwikkeld samen met de TU Delft.

We beginnen meestal met het bepalen van de reikwijdte van een onderwerp, wat hoort erbij en wat niet. Het onderwerp van een toekomstverkenning bepaalt de vorm en de methodiek die wordt gehanteerd, bijvoorbeeld migratiescenario’s bij de toekomstverkenning energie. Want als we het hebben over de energietransitie, dan gaat het over de verandering van meerdere processen en systemen tegelijkertijd.’

‘We willen als kenniscentrum steeds meer verhalen over de toekomst vertellen.’

‘We willen als kenniscentrum steeds meer verhalen over de toekomst vertellen. Voor technische organisaties zijn dat inspirerende vertellingen over de toekomst. En dat is volkomen andere informatie dan zij gewend zijn. We presenteren de informatie in de vorm van populair-wetenschappelijke publicaties en jaarlijkse en tweejaarlijkse bijeenkomsten, workshops en lezingen bij de organisaties van de leden. 

Nieuwe initiatieven zijn meetups en speakups, roundtables voor leden, films en documentaires en een spel (serious game) dat werd ontwikkeld in het kader van de toekomstverkenning economie. De boeken van STT zijn de basis en daarnaast zoeken we de verbreding van middelen op. 

‘De toekomst is geen algoritme dat je uit kunt rekenen.’

De toekomst is geen algoritme dat je uit kunt rekenen. Het gaat om de combinatie van analyse en creativiteit. Het is een heel iteratief proces waarbij wij transparantie heel belangrijk vinden, dat je laat zien wat je hebt gedaan en waarom je het hebt gedaan. De glazen bol mag geen zwarte doos zijn.’

WAT onderwerpen agenderen en iets toevoegen aan het debat

Wat heeft het lidmaatschap van STT organisaties opgeleverd? ‘Dat is het lastige van ons vakgebied. Impact meten is moeilijk. Het is belangrijk om de verwachtingen te managen. We leveren geen businesscases op. Onze richtlijnen zijn die vier dingen: informeren, inspireren, agenderen en adviseren. Ik meet het af aan de omvang van het werk dat we produceren, hoe vaak er naar ons wordt verwezen, hoeveel complimenten we krijgen en hoe vaak we worden gevraagd voor lezingen. Maar ik weet niet of de output ook meetbare impact is.

Wij vinden ons werk als toekomstverkenners belangrijk en er is op dit terrein nog een wereld te winnen. Het is belangrijk om naar buiten te treden met ons werk. Daarom zijn al onze publicaties ook openbaar en online te vinden. Soms slagen we erin om een onderwerp te agenderen. Zo is NanoNed voortgekomen uit een studie naar nanotechnologie bij STT. We proberen iets toe te voegen aan het debat en in gang te zetten door op zoveel mogelijk verschillende manieren aanwezig te zijn.’

‘Mijn conclusie is dat de wereld veel minder snel verandert dan wij denken.’

Waar zou het STT zich over tien jaar moeten bevinden? ‘Het is onze ambitie om te groeien in fte’s, in leden en in bereik. Ook internationaal. Verder wil ik dat STT gaat groeien als expertisecentrum. We gaan het visuele meer versterken, zonder het onderzoek te verwaarlozen. En ik wil die vier pijlers versterken. Ik vind dat wij te weinig stelling nemen in onze studies. Hoewel de methode wel zuiver moet blijven. Maar ik vind dat als onze aanpak goed is, dan is het eindresultaat dat ook. 

Hoe dan ook. Of de wereld radicaal verandert of juist niet, daar kun je genuanceerd over denken. Mijn ervaring en conclusie is dat de wereld veel minder snel verandert dan wij denken.’ 

www.stt.nl

Patrick van der Duin en Dhoya Snijders (red.) – Met de kennis van morgen – Toekomstverkennen voor de Nederlandse overheid – Amsterdam University Press 2018

Trends zijn relevant voor je merk

In gesprek met Joost Augusteijn, van 2006 tot 2016 merkstrateeg bij de Rabobank en verantwoordelijk voor het merk Rabobank en het merkenportfolio van de Rabobank Groep.

WHY grip op vage trends en ontwikkelingen

Augusteijn: ‘Eerlijk gezegd stond ik altijd sceptisch tegenover trends en trendwatchers. Trendwatching lijkt vaak op wat de weerman doet: van het weer van gisteren naar dat van vandaag en morgen. Maar de weersverwachting voor morgen hoeft niet te kloppen. Toch vond ik dat voorspellen bijzonder interessant.’

‘Ik had een haatliefde-verhouding met trends. De vraag was hoe ik grip kon krijgen op vage trends en ontwikkelingen.’ Toen kwam trendonderzoeker Hilde Roothart van Trendslator met de publicatie ‘Trends als instrument’ (Trendslator 1997). Daarin presenteerde ze de Trendpiramide waarin ze korte, middellange en lange termijntrends onderscheidde en met elkaar in verband bracht. ‘Je kunt daarmee de samenhang zien tussen hypes en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarvoor waren het gescheiden werelden. Aan de ene kant de lijstjes met wat is in en wat is uit en aan de andere kant de cijfermatige onderzoeken van bijvoorbeeld het CBS en SCP. Al die vage trends presenteren als een hanteerbaar instrument, dat sprak me aan en daar kon ik iets mee.’

‘Trends als instrument, dat sprak me aan en daar kon ik iets mee.’

In 2001 verscheen ‘Van trends naar brands’ (Hilde Roothart en Wim van der Pol, Kluwer 2001) waarin trends werden gekoppeld aan merken. ‘Dat boek was voor mij als merkstrateeg een perfect handvat. Alle ingrediënten waren aanwezig om ermee aan de slag te gaan. In ‘Futuring Contrast’ (Trendslator 2003) presenteerde Hilde Roothart een overzicht waarin de omslag van het ene decennium naar het andere (van de jaren negentig naar de jaren nu) scherp werd verwoord. Zeer treffend! Vervolgens hebben wij daar bij de Rabobank een doorvertaling van gemaakt, zowel naar financiële diensten als naar communicatie.’

‘In de jaren negentig had de Rabobank de wind tegen, een coöperatieve bank was eerder iets van vroeger dan van nu. We hebben op basis van die omslag in de tijd een campagne gemaakt waarmee het merk Rabobank weer relevant werd.’ De tijdgeestcampagne ‘Het is tijd voor de Rabobank‘ met Jochem de Bruin als Rabobankmedewerker, gemaakt door Ubachs Wisbrun (2003 tot 2007), won destijds een gouden effie (prijs voor effectieve reclame).

‘In de jaren negentig had de Rabobank de wind tegen, een coöperatieve bank was eerder iets van vroeger dan van nu.‘

WHO aansluiten op trendonderzoek en het toepassen ervan

De verantwoordelijkheid van Augusteijn was in die tijd communicatieonderzoek. Daar hielp het trenddenken bij. Met de afdeling marketing werd gestart met een geregeld trendoverleg waarbij Bob van Leeuwen (Interpolis), Randolph Claus (Rabobank Marketing) en Joost Augusteijn (Rabobank Communicatie) aangesloten waren. Daardoor werd innovatie ook betrokken bij trendonderzoek waarna de afdelingen ICT en HR (human resources) volgden. In de loop van de tijd lukte het om steeds meer Rabobankmedewerkers aan te laten sluiten op trendonderzoek en het toepassen ervan binnen hun eigen afdeling.

Daarnaast werden er zelfstandige trendwatchers ingeschakeld voor het geven van presentaties en workshops en werd er samengewerkt met trendbureaus. Zo verscheen in Second Sight, tijdschrift over consumententrends, een vaste rubriek over trends door verschillende medewerkers van de Rabobank (2010). Augusteijn was de watcher van de trendwatchers. Hij wist precies wie hij het beste kon inschakelen voor een bepaalde opgave of opdracht: Peter Heshof (Bloom) voor toepassing van marketingtrends, Adjiedj Bakas voor de invloed van sociaal-demografische trends, Philip Idenburg voor scenarioplanning, Reinier Evers (trendwatching.com) voor trendspotting.

Er werd in die tijd volop gepubliceerd over trend- en toekomstonderzoek bij de Rabobank. Vanuit ICT schreef Ruud Smeulders ‘3652 x morgen – Een terugblik op 10 jaar vooruitkijken – ICT-Trendanalyse bij de Rabobank’ (Secsi Media 2012). Daarin werd beschreven wat er in technologische zin mogelijk is op de lange termijn en wat dat op de korte termijn betekent voor producten en diensten. Vanuit economisch onderzoek (nu afdeling RaboResearch) schreven Hans Stegeman, Danijela Piljic, Anke Struijs en Enrico Versteegh ‘In 2030 – Vier vergezichten’ (Scriptum 2011). Daarin kwam scenario-analyse aan bod resulterend in vier toekomstperspectieven. Vanuit HR schreven Hans van der Heijden en Saliha Bochhah ‘De WERKelijkheid van morgen – 7 megatrends die HRM op zijn kop zetten’ (Kluwer 2006). Daarin werd een helder beeld geschetst van de veranderingen in HR en de arbeidsmarkt. Zelf was Augusteijn voorzitter van de jury voor de TWOTY (TrendWatcher Of The Year).

‘Het doel was om kennis over trends en trendonderzoek te laten wortelen in te organisatie.’

HOW wortelen in de organisatie

‘Het doel van alle inspanningen was om kennis over trends en trendonderzoek te laten wortelen in de organisatie. Het is belangrijk om de verantwoordelijkheid voor trendinformatie te verspreiden over verschillende afdelingen en medewerkers. Iedereen dient vanuit de eigen verantwoordelijkheid na te denken over de toekomst. Dat kan door middel van regelmatige trendbijeenkomsten, onderzoeken naar deelonderwerpen, publicaties en presentaties. Vervolgens kan dat onderzoek worden doorvertaald naar producten en diensten, innovaties vanuit klantbehoeftes en ICT-mogelijkheden, merkstrategie en nieuwe merken, communicatie en campagnes, medewerkers en HR.

‘Hoe zorg je ervoor dat je merk door alle stormen van de tijd heen overeind blijft?’

Je moet niet zelf de trendgoeroe willen zijn maar twintig trendwatchers binnen de organisatie hebben die het werk kunnen doen. Toekomstdenken moet geworteld zijn binnen de gehele organisatie. Vanuit merkstrategie is een belangrijke vraag: hoe blijf je jezelf in een wereld die verandert? Want je kunt de wind tegen hebben als de waarden in de samenleving ineens uit een andere hoek komen dan waar jij als merk voor staat. Hoe ga je daar mee om? Als je teveel met de wind meewaait dan raak je jezelf kwijt. En als de wind stevig in de rug hebt, dan beweegt iedereen in dezelfde richting als jij en moet je ervoor zorgen dat je gezien blijft worden. Wat we bij de Rabobank weleens hebben gedaan is een merkopstelling (zoals een familieopstelling) door de tijd heen. Dat leverde interessante inzichten op over de kracht en de zwakte van het merk in de loop van de tijd. Hoe zorg je ervoor dat je merk door alle stormen van de tijd heen overeind blijft?’

WHAT merk weer relevant

Wat heeft al dat werk op het gebied van trends en de toekomst de Rabobank nu eigenlijk opgeleverd? Augusteijn: ‘We waren bij de Rabobank gewend om heel erg naar het nu te kijken. Door te werken met trends, konden we verder in de toekomst kijken. De belangrijkste winst voor het merk Rabobank was de omslag die we konden maken in de jaren negentig. In die tijd ging het merk onderuit. De toepassing van tijdgeestonderzoek zorgde ervoor dat het merk weer relevant werd.’

‘Door de toepassing van tijdgeestonderzoek werd het merk Rabobank weer relevant.’

‘We slaagden erin om steeds meer medewerkers en afdelingen aan te laten sluiten op trendonderzoek. Daardoor konden inzichten in de breedte van de organisatie worden toegepast. Er konden gedifferentieerde vormen van onderzoek worden uitgevoerd (voor de toekomst van HR, ICT, communicatie, marketing), en we konden de relevantie van investeringen op basis van trends beter beoordelen.’

WHEN en WHERE leren van eigen ervaringen

‘In de loop van de tijd kregen we steeds meer instrumenten om op een goede manier te kunnen werken met trends, zoals de Trendpiramide van Trendslator en tijdgeestmodellen. En we ontwikkelden zelf ook modellen waar we mee konden werken. Zo konden we leren van onze eigen ervaringen. Daarnaast kwamen er steeds meer specialistische trendwatchers en konden wij zelf specialistische kennis verwerven over deelonderwerpen. Na de financiële crisis hebben we ons ook bezig gehouden met de vraag: wat zijn nu eigenlijk de transities (voedsel, energie) die plaatsvinden en hoe kun je als professional helpen om die als organisatie ook te maken? 

Joost Augusteijn is nu merkstrategisch adviseur bij De Positioneerders.

www.depositioneerders.nl

Toekomstverkenning is een sociaal proces

In gesprek met Hans Peter Benschop, van 2009 tot 2019 directeur van Trendbureau Overijssel. 

WHY besluiten voor de lange termijn

Trendbureau Overijssel is ontstaan door een statenmotie, een motie die is aangenomen in de Provinciale Staten van Overijssel. De leden vonden het belangrijk dat goede besluiten voor de lange termijn zouden kunnen worden genomen. Benschop: ‘Het was de politiek die de wens van verkenningen naar de lange termijn had. Dat verwachten mensen niet. Ze denken dat politici alleen tot de volgende verkiezingen denken. Dat is in mijn beleving niet zo.’ De motie hield in dat er toekomstverkenningen moesten worden uitgevoerd die niet alleen bedoeld zouden zijn voor de politiek in de provincie maar voor heel Overijssel – dus ook voor gemeenten, instellingen en organisaties – om een gezamenlijk beeld van de toekomst te kunnen maken. 

De onderzoeksopgave heeft betrekking op zogenaamde vitale coalities: de organisaties waarmee de provincie samenwerkt op het gebied van landbouw, energie, wonen, zorg en dergelijke, zoals wooncorporaties en zorginstellingen. De opgave is heel vrij. Er is wel een inhoudelijke aansturing door een programmaraad die ook verantwoordelijk is voor de verkenningen. De provincie is niet vertegenwoordigd in deze raad. Benschop: ‘Het Trendbureau Overijssel zou een buitenboordmotortje moeten zijn dat het beleid confronteert met ontwikkelingen.’ Het trendbureau is onafhankelijk. Soms komt er vanuit de politiek een suggestie voor een onderzoeksonderwerp. 

WHO blik naar buiten gericht

Het Trendbureau Overijssel is bedacht door Trudy Vos, beleidsonderzoeker bij de provincie. Na de oprichting heeft een kwartiermaker, ex-directeur strategie bij Schiphol Geert Boosten, het geraamte van het bureau neergezet. Benschop was coördinator strategie bij de gemeente Apeldoorn voordat hij directeur van het bureau werd. Benschop: ‘Ik kende de politiek al en was bekend met raadsleden.’

‘Het zoeken naar kansen en bedreigingen is een sociaal proces.’

Loes Dijkhuis-Alferink werd stagiaire bij het bureau toen zij student aan het Amsterdam Fashion Institute (Amfi) was. Na haar stage bleef zij werkzaam bij het bureau. Benschop: ‘Ik hecht aan kleinschaligheid zodat de blik bewust naar buiten gericht kan blijven.’ De laatste tijd is er steeds iemand gemeenten in Overijssel gedetacheerd bij het bureau voor de nodige stabiliteit. Benschop houdt zich met name bezig met de inhoud en Dijkhuis-Alferink met de vorm. Samen zijn zij een gouden combi. Het bureau richt zich op provincies, gemeenten en in mindere mate op maatschappelijke organisaties en bedrijven. De doelgroep bestaat uit statenleden en gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en leden van dorpsraden. En ook op beleidsmakers bij maatschappelijke instellingen en organisaties.

HOW essentie van toekomstverkenning

Het doel van het bureau is het doen van toekomstverkenningen op gebieden die in politiek opzicht relevant zijn: van energie tot landbouw, van vervoer tot onderwijs. Benschop: ‘Je hebt een basisgereedschapskist voor strategische verkenningen, zoals destep, trendanalyse en scenario’s. Maar de beleidsmakers en besluitvormers hebben niet veel tijd en moeten snel geïnformeerd worden. Ze zijn wel geïnteresseerd maar ongeduldig en het kennisniveau loopt sterk uiteen.’ Benschop kwam er op een gegeven ogenblik achter dat het moment van praten relevant is. Sinds hij dat inzicht kreeg staan alle middelen – rapporten, publicaties, filmpjes, congressen – ten dienste van dat gesprek. ‘Ik merkte al snel dat in gesprek gaan met mensen de essentie is van toekomstverkenning. Het zoeken naar kansen en bedreigingen is een sociaal proces.’

‘Uiteindelijk wil je de besluitvorming in de Provincie Overijssel toekomstvast maken.’

Benschop werkt samen met externe partijen voor onderzoek maar werkt ook zelf aan de onderzoeken en de publicaties. Benschop: ‘We gebruiken zoveel mogelijk bestaand materiaal van landelijke planbureaus, onderzoeksbureaus en universiteiten. Daarnaast maken we gebruik van cijfermateriaal van de provincie. En we doen kwalitatief onderzoek zoals interviews met deskundigen en burgers en bewoners uit de provincie, van taxichauffeurs tot dominees en huisvrouwen.’

Onderzoeksresultaten zoals perspectieven en doelscenario’s worden in de vorm van presentaties en workshops onder de aandacht gebracht. Deze presentaties zijn vaak eye-openers want aannames en veronderstellingen kunnen enorm ondergraven worden. De opgave is meestal om het zo specifiek mogelijk te maken. Een voorbeeld daarvan zijn wat Benschop confetticongressen noemt: heel veel kleinschalige bijeenkomsten voor kleine groepen mensen want: ‘Raadsleden uit Dalfsen komen niet naar Zwolle.’ Naast presentaties en workshops voor besloten bijeenkomsten organiseert het bureau ook vrij toegankelijke bijeenkomsten zoals de reeks ‘De wijzen in het Oosten’ en een jaarcongres. Benschop: ‘Dat zijn kwalitatief goede bijeenkomsten. Ze zijn ook als pr bedoeld. We geven ermee aan wat de kwaliteitsstandaard is.’

WHAT toekomstvast maken

Benschop: ‘Uiteindelijk wil je de besluitvorming in de Provincie Overijssel toekomstvast maken.’ Jaarlijks wordt er onderzoek gedaan hoe de statenleden, gedeputeerden, burgemeesters en wethouders de activiteiten van het bureau waarderen. De vraag is dan of de toekomstverkenningen worden gebruikt bij de besluitvorming en of ze voor nieuwe ideeën hebben gezorgd. De betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van het Trendbureau worden goed gewaardeerd. De bekendheid van het bureau onder de doelgroep is heel erg hoog. Het budget van het bureau is jaarlijks € 300.000. De ene helft van het budget wordt besteed aan onderzoek en de andere aan communicatie, inclusief de organisatie van bijeenkomsten en congressen.

‘De wereld is consequent krankzinniger dan wij kunnen voorspellen.’

WHEN invloed van plotselinge veranderingen

In de beginfase richtte Benschop zich heel erg op de inhoud door gelijktijdig drie toekomstverkenningen uit te voeren, naar de toekomst van dorpen, energiewinning en de economie. Een verkenning naar de toekomst van de zorg is anders dan die van energie. Al is het maar vanwege het verschil in investeringstermijn. En onderwerpen zijn ook nog fluïde, daardoor veranderen onderzoeken in de tijd. Scenario-ontwikkeling werkt niet omdat dat te veelomvattend is. ‘Op een gegeven moment stond ik scenario’s zelf te verdedigen. Maar dat was helemaal niet de bedoeling. De laatste tijd denken we vaker na over de invloed van plotselinge veranderingen omdat dat steeds belangrijker is geworden. De wereld is consequent krankzinniger dan wij kunnen voorspellen.’

WHERE vertaling van de wetenschap

Benschop is in de tien jaar die hij voor het Trendbureau Overijssel heeft gewerkt in alle hoeken en gaten van de provincie geweest. Hij ging, vaak ‘s avonds, op pad en op bezoek bij dorpsraden en gemeenteraden, in collegezalen en boerenstallen. ‘Dat is wat ik echt leuk vindt, dicht bij de mensen werken. Het gaat steeds om de vertaling van de wetenschap naar de boeren en buitenlui die in de provincie wonen en werken. Het is belangrijk dat je als toekomstverkenner zowel in de ene als in de andere wereld bent.’

‘De kwantitatieve en de kwalitatieve aanpak zijn beide nodig. De vraag is hoe je ze samenbrengt.’

Wat de professionalisering van het vakgebied betreft: ‘Er zijn twee tradities van toekomstverkennen: de wetenschappelijke en de intuïtieve. Bij de overheid moet je werken met cijfers maar tegelijkertijd loopt de cijfermatige werkelijkheid achter de feiten aan. De kwantitatieve en de kwalitatieve aanpak zijn beide nodig. De vraag is hoe je ze samenbrengt.’

www.trendbureauoverijssel.nl